Wanneer is iets een groothandel? Wanneer is iets productie? In de nieuwe verplichtstelling van Bpf Foodservice is dat nu beter omschreven.
Volgens werknemersvoorzitter Martijn Raaijmakers is daarmee een belangrijke stap gezet: ‘Ondernemingen hebben zich in het verleden verzet tegen bepaalde onderdelen van de oude verplichtstelling. Dat leverde rechtszaken op. Dat kost veel tijd en geld en zorgt voor jarenlange onzekerheid. Een rechtszaak die doorgaat tot aan de Hoge Raad hangt als een soort Zwaard van Damocles boven je hoofd als beleidsmaker.’
Er is tussen partijen veel overleg gevoerd. Met name met de horecagroothandels. De cao-partijen zijn tot elkaar gekomen in een raam-cao, waarin twee cao’s zijn opgenomen: die van Foodservice en die van Groothandel in Levensmiddelen (GIL). Het pensioenfonds, als uitvoerder van de pensioenafspraken in deze cao’s, heeft vervolgens zijn verplichtstelling en naam daarop aangepast.
Dit heeft in 2016 al geleid tot de vrijwillige aansluiting van Hanos en een aantal andere bedrijven.
‘In de naam Foodservice zit ook een stukje ambitie naar de toekomst’, zegt de werknemersvoorzitter van het fonds. Foodservice kun je heel breed uitleggen; horeca, catering, groothandel, dienstverlening, enzovoort. In de nieuwe verplichtstelling hebben we duidelijker vastgelegd welke soort bedrijven uit de Foodservicesector zich bij het fonds moeten aansluiten. Wij verwachten dat er hierdoor minder discussie over een verplichte aansluiting zal ontstaan, wat zal resulteren in minder discussie met bedrijven en rechtszaken. Tegelijkertijd zie je in de bedrijfskolom allerlei bewegingen en het ontstaan van aanpalende bedrijven. Ook daar richten wij ons op.
Doel verplichtstelling
De verplichtstelling zorgt ervoor dat alle bedrijven binnen een bedrijfstak de pensioenregeling onderbrengen bij één pensioenfonds. Op die manier wordt er voor veel mensen tegelijk een pensioen geregeld en is er binnen de bedrijfstak geen concurrentie op de arbeidsvoorwaarde pensioen. Dat zorgt voor een eerlijk speelveld. En kostenvoordelen, die zich kunnen vertalen in een lagere premie.
‘Soms is een verplichte aansluiting niet prettig voor de werkgever’, ziet Martijn Raaijmakers in de praktijk. ‘Zeker niet als het gaat om kleine, startende, werkgevers die zich er wellicht niet van bewust zijn dat we pensioen zo regelen in Nederland. Voor hen kan het een onverwachte kostenpost zijn. Wij hebben het werkgeversbelang ook in het oog. Het moet niet zo zijn dat bedrijven failliet gaan omdat ze moeten aansluiten. Maar niet aansluiten is geen optie. Het mes van de verplichtstelling snijdt namelijk aan twee kanten.’
‘Als je ondernemingen niet actief opspoort en aansluit, kunnen werknemers van bedrijven die over het hoofd worden gezien, tóch pensioen claimen bij ons fonds. Zij hebben daarvoor geen premie betaald, maar wel recht op een uitkering. Dit pensioen wordt betaald door het fonds en dus door de deelnemers en bedrijven die wel premie betalen. Een groter bedrijf over het hoofd zien dat geen premie betaald heeft, kan dus behoorlijke impact hebben. Dat risico kunnen en mogen we niet lopen.’
‘Je zou kunnen achteroverleunen bij het ‘gemak van automatische klanten’ als je een verplichtstelling hebt. Bedrijven hebben immers geen keuze. Maar zo zien wij dat niet. Wij voelen ons verplicht tegenover de bedrijven die wij willen aansluiten om hen actief te benaderen en te informeren. Helaas hoort handhaven daar soms ook bij. Dat is in het belang van alle betrokkenen. Maar liever lossen we het in onderling overleg op.’
Meer weten?
Lees het eerste deel van dit interview in het Verkort Jaarverslag.
EN